Tekst voor Portfolio, November 2008

Mijn werk in tekst is eigenlijk al een probleem op zichzelf: mijn werk is visueel, mijn werk ontstaat vanuit een waarneming die is blijven hangen in mijn hoofd. In mijn hoofd laat ik het filter van mijn geheugen de rest doen: de beelden die dan ontstaan wijken af van de realiteit zoals ik die gezien heb. Zelfs als ik later werk met een foto van het originele waargenomen beeld dan zal mijn hand toch de selectiviteit van het geheugen volgen.

Maar wat is dit originele beeld dan? Dit originele beeld is het stedelijk landschap. Ik hou van de wereld ontworpen door de mens, gebruikt door de mens, afgebroken door de mens om vervolgens weer nieuwe ontwerpen te maken. De stad is in een constante cycles van ontwerp-gebruik-afbraak. Dit resulteert in mooie en lelijke gebouwen, frisse nieuwe, en vieze vervallen gebouwen. Dit levert een visueel beeld op van talloze grijze, bruine en blauwe tinten in de meest prachtige geometrische vormen, die vaak onbedoeld zich fantastisch tot elkaar verhouden. Hoezo lelijk gebouw?

Wat mij daarom erg tegen staat is het roemloos tenonder gaan van gebouwen. De oude molen of een trapgeveltje krijgt een actie comité voor behoud van het gebouw. Maar wie heeft de wens om een jaren 70 doorzonwoning te behouden? Wie herinnert zich de gebouwen nog als ze nooit op een ansichtkaart terecht gekomen zijn?

Ik zou die gebouwen niet kunnen of willen behouden. Maar ik zal ze niet roemloos ten onder willen laten gaan. Ik zal ze vast leggen in een mooi portret. Ik zal een visuele mijmering maken over hoe het had kunnen zijn om daarmee de vraag te stellen of lelijk wel lelijk is...