Tekst voor Portfolio, begin 2010

Ik hou van de wereld ontworpen door de mens, gebruikt door de mens, afgebroken door de mens om vervolgens weer nieuwe ontwerpen te maken. De stad is in een constante cyclus van ontwerp-gebruik-afbraak. Dit resulteert in mooie en lelijke gebouwen, frisse nieuwe, en vieze vervallen gebouwen.

Zo ontstaan mijn werken uit de visuele prikkelingen van de geometrische vormen en kleurvlakken van de (non-)architectuur in ons stedelijk landschap, dat gevormd wordt door de keuzes van de mens die dit landschap heeft doen ontstaan. Ik zou de cyclus van het stedelijk landschap niet willen beinvloeden. Maar ik zal de gebouwen die ooit deel uitmaakte van dit landschap niet roemloos ten onder willen laten gaan.

Ik voel altijd een plaatsvervangend schuldgevoel bij de sloop van een gebouw. Het is te vergelijken met het gevoel dat iemand weerhoudt een bijna gepensioneerd werknemer te ontslaan. Een mengeling van: in zijn waarde laten, respect tonen, en dank te uiten.

In mijn atelier probeer ik een laatste blijvend eerbetoon te maken, nadat het onvermijdelijke gebeurt is. Als een mortuarium-medewerker maskeer ik de lelijke plekjes en puistjes. Ik probeer het slachtoffer zo voordelig mogelijk vast te leggen zonder ver van de harde werkelijkheid af te wijken.  Ik zal ze vast leggen in een mooi portret over hoe het is of een visuele mijmering maken over hoe het was en hoe het had kunnen zijn...

Zo voorkom ik vergetelheid en geef ik het een nieuwe plaats.